Nederland is trots om een land te zijn waarin we omkijken naar elkaar. We kijken niet alleen om naar bijvoorbeeld het klimaat of dierenwelzijn maar ook naar elkaar als mensen. Je zou kunnen stellen dat Nederlanders echt voor elkaar zorgen. Als een baby (veel) te vroeg geboren wordt, dan zullen de artsen en verpleegkundigen er alles aan doen om deze baby de meest passende zorg te geven die geboden kan worden. Bij een zwangerschap van 22 of 23 weken lijkt deze zorg en deze trots echter te verdwijnen.
Op 27 oktober heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken over moties van de ChristenUnie en de SGP over late abortussen. Aanleiding is een verkenning waarbij ziekenhuizen abortussen bij 22 of 23 weken zwangerschap op sociale indicatie toegankelijker zouden kunnen maken. Het gaat om gezonde ongeboren kinderen, zonder medische indicatie voor de zwangerschapsafbreking. De SGP diende zelfs een motie van afkeuring in tegen het regeringsbeleid, omdat de minister deze ontwikkeling niet wilde tegenhouden in afwachting van een politiek en maatschappelijk debat.
Waarom raakt dit onderwerp zo weinig mensen? Het lijkt alsof een groot deel van Nederland wegkijkt voor deze kinderen. Ik vraag me af of mensen wel werkelijk weten wat er precies gebeurt bij dergelijke zwangerschapsafbrekingen, welke trieste situaties dit oplevert. En misschien nog wel relevanter: hoeveel mensen wíllen dit weten? Het is makkelijk om achter keuzevrijheid te staan, als je maar de helft van de feiten hebt.

En dat is misschien nog wel de meest ongemakkelijke vraag van allemaal. We hebben het niet over de vaak aangehaalde “klomp cellen”, maar over een kindje met een gezicht, handen en voeten, dat beweegt, reageert op prikkels en pijn ervaart. En dat soms, met intensieve medische zorg, buiten de baarmoeder kan overleven.
In het Kamerdebat werd bovendien de vraag gesteld wat zorgverleners moeten doen wanneer een kindje na een late zwangerschapsafbreking levend ter wereld komt. Dat is geen theoretische situatie. Dit is de realiteit van de gevolgen van dergelijke abortussen. Het raakt de ziel van de zorg. Hoe moeten zij omgaan met een situatie waarin van hen wordt gevraagd een zwangerschap af te breken en een levend geboren kindje vervolgens niet in leven te houden?
Ik vind dat we deze vraag en deze discussie niet mogen ontwijken. We moeten echter verder kijken dan puur de discussie. We moeten de vraag achter de vraag zien te achterhalen. Wáárom kiezen vrouwen er zo laat in de zwangerschap voor abortus en zien zij geen andere uitweg? Achter een zwangerschap die zo laat wordt afgebroken, kan groot verdriet, angst of een uitzichtloze situatie schuilgaan. Deze vrouwen verdienen hulp, begeleiding en praktische ondersteuning. De ChristenUnie heeft daarom terecht ook aandacht gevraagd voor onderzoek naar hun omstandigheden en betere zorg tijdens en na de zwangerschap. Alleen zeggen dat een vrouw zelf mag kiezen, is geen antwoord op de vraag of we haar voldoende andere mogelijkheden bieden. Wat zegt het over ons als samenleving wanneer we de moeilijke werkelijkheid liever niet onder ogen zien, zolang we onze overtuigingen over keuzevrijheid maar niet hoeven te bevragen?
We hoeven het niet over alles eens te zijn om dit gesprek te voeren. Maar we moeten het wél voeren. Open, eerlijk en zonder weg te kijken van wat er daadwerkelijk gebeurt. Want misschien is dat wel precies het probleem: we willen het liever niet weten. Dat ontslaat ons er echter niet van om erover na te denken en erover te spreken.
Iris Boerhout
Vrijwilliger bij Kies Leven


