Met de proeven rondom late abortussen is een nieuwe grens overschreden, vindt Kees van Helden. Hij schrijft in zijn nieuwe onderstaande bijdrage onder meer dat zo’n late abortus strafbaar zou moeten zijn en dat er nergens in de wet staat dat je tot 24 weken abortus mag plegen. ‘Willen we als land echt deze kant op?’
In het wetsartikel 255 van het Wetboek van Strafrecht staat: Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. Dit artikel is de afgelopen weken in een ander daglicht komen te staan. Dit artikel spreekt over twee situaties. Aan de ene kant de situatie waarbij een hulpbehoevende in een hulpeloze toestand wordt gebracht. En aan de andere kant gaat het erom dat een hulpbehoevende in een hulpeloze toestand wordt gelaten. We spreken van een hulpeloze toestand wanneer er gevaar bestaat voor het leven of gezondheid van de hulpbehoevende, terwijl deze zichzelf niet kan redden.
Een opmerkelijk artikel wanneer we naar de huidige discussie kijken rondom de abortussen die in een ziekenhuis worden uitgevoerd in de tweeëntwintigste en drieëntwintigste week van de zwangerschap.
In Nederland is abortus provocatus toegestaan tot de vierentwintigste week al staat dat niet in de wet zelf. Echter in de memorie van toelichting bij de in 1984 in werking getreden Wet afbreking zwangerschap (abortuswet) staat dat ‘bij de huidige stand van de medische wetenschap vruchten van minder dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden’.
De realiteit is dat de wet niet spreekt over een grens van 24 weken, maar over een een levensvatbaarheidsgrens.
Deze in Nederland geldende abortustermijn is al jaren een punt van discussie. Het huidige Tweede Kamerlid Don Ceder (ChristenUnie) schreef hierover al in 2014 een uitgebreid artikel op de website van juristenvereniging Provita. Zijn conclusie over de 24 weken abortusgrens: ‘Die bestaat helemaal niet in ons land!’
In de media, bij vele organisaties en zelfs door politici wordt bijna altijd gesproken van een wettelijke 24-wekenabortusgrens. De realiteit is echter dat de wet niet spreekt over een 24-wekengrens maar over een levensvatbaarheidsgrens (het moment waarop kinderen buiten de baarmoeder kunnen overleven).
Het is een vaststaand feit dat een ongeboren kind volledig afhankelijk is van een ander, de moeder. Zonder goede zorg van de moeder kan een ongeboren kind niet overleven. Eerder uit de baarmoeder halen kan veel schade opleveren voor het kindje. In 1984 gold, dat wanneer je het kindje vóór de 24 weken uit de baarmoeder haalde, dat volgens de toenmalige huidige medische kennis, het kindje niet kon overleven en om die reden werd een abortus toegestaan tot de levensvatbaarheidsgrens.
Eigenlijk is dat een cirkelredenering, omdat natuurlijk gezien het kind 9 maanden nodig heeft om te kunnen volgroeien, en daarom was de keuze voor toestaan van abortus tot de levensvatbaarheidsgrens een drogreden. We creëren zelf een niet natuurlijke situatie en daarmee een grens. Wanneer we een geboren iemand vijftien minuten onder water duwen, zal deze persoon dat niet overleven. We zeggen dan toch ook niet dat je gerust iemand mag doden door middel van de persoon vijftien minuten onder water te houden? Beide situaties zijn tegennatuurlijk en slecht voor de desbetreffende persoon en moet je gewoon niet doen!
De realiteit is dat de wet niet spreekt over een grens van 24 weken, maar over een een levensvatbaarheidsgrens.
Echter bij de abortuswet is in 1984 toch voor deze drogreden gekozen met als uitgangspunt dat in ‘de huidige stand van de medische wetenschap vruchten van minder dan 24 weken als niet levensvatbaar beschouwd worden”. Dat maakt een cruciaal verschil met de huidige situatie in 2026 omdat in een aantal omliggende landen, zoals Duitsland en Zweden, die grens lager ligt, namelijk bij 23 en 22 weken. Waar in Nederland ongeveer de helft van de kinderen die na 24 weken werden geboren in leven blijft, is dat in bepaalde centra in Zweden het geval bij kinderen geboren na 22 weken en in Duitsland bij 23 weken. Terwijl in Nederland het behandelprotocol pas in werking komt bij 24 weken en 0 dagen
Door deze ontwikkeling komt artikel 255 in een heel ander licht te staan. De abortuswetgeving wringt enorm met dit artikel wanneer je weet dat in andere landen kinderen geholpen en overleven bij geboorte in de 22e en 23e week. De moeder van het ongeboren kind brengt met zo’n late abortus, heel bewust, willens en wetens haar hulpbehoevende kind buiten de baarmoeder in een hulpeloze toestand. We hebben in diverse media kunnen lezen dat niet zelden een kind dan levend wordt geboren. Het hulpbehoevende kind wordt daarna bewust in de hulpeloze toestand gelaten waardoor het alsnog sterft.
Zou niet elke moeder die kiest voor een sociale abortus in de tweeëntwintigste of drieëntwintigste week en waarbij haar kindje levend wordt geboren (of wie daaraan meewerkt) een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie moeten krijgen volgens artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht? Het levend geboren kind kan zichzelf niet redden. Hier hebben we dus te maken met een juridisch probleem. Abortus mag in abortuscentra en in ziekenhuizen met een vergunning tot aan de vierentwintigste week. Het enige wat je zou kunnen eisen is dat de kinderen niet levend geboren mogen worden en dus voor de geboorte worden gedood met een dodelijk spuit in het hart. Willen we als land echt deze kant op? Dit kan je geen gezondheidszorg meer noemen.


