Afgelopen juli bleek dat het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam begonnen is met een pilot waarbij zwangerschappen tussen de 22e en 24e week worden afgebroken. Het gaat daarbij overigens niet om medische, maar sociale redenen bij de moeder (zoals een ongewilde of ongeplande zwangerschap). Hoewel abortussen al enige tijd tot 24 weken worden uitgevoerd in Nederland, is het in strijd met de wet. De voorgenomen late abortussen gaan tegen twee belangrijke bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht in.
In strijd met de wet
Abortus is een enorm geladen discussie, des te meer is dat het geval bij late abortussen. Hoe later een abortus wordt uitgevoerd, hoe meer bezwaren komen bovendrijven bij moeders en hun naasten, bij artsen en anderen. Feit is dat er bij iedere abortus een ongeboren kind sterft. Met deze niet wettelijke, maar praktische ‘verruiming’ van de abortuspraktijk in Nederland sterven er honderden meer per jaar. Een extra pijnlijke realiteit is dat de abortus van baby’s tussen 22 en 24 weken oud volgens de huidige stand van zaken in strijd is met de wet. Het bewust laten sterven van een levend geboren baby na abortus is in strijd met artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast zijn late abortussen in het algemeen in strijd met artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht. Dat licht ik hieronder toe.
1. Late abortus in strijd met artikel 255 Strafrecht
Te beginnen bij de abortussen die worden uitgevoerd wanneer de foetus minstens 22 weken oud is. Om een beeld te krijgen: in 2024 werden in Nederland 331 abortussen uitgevoerd tussen de 22e en 244 week. Bij een late abortus wordt de bevalling van de vrouw met medicatie vervroegd opgewekt, waarna het kind op natuurlijke wijze wordt geboren en vaak kort daarna overlijdt. Volgens de NVOG (Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie) komt het “niet zelden” voor dat de baby levend wordt geboren. In veel gevallen wordt het kindje dan aan zijn of haar lot overgelaten, totdat het vanzelf gestorven is.
In het Wetboek van Strafrecht is een bepaling opgenomen die het strafbaar stelt om iemand opzettelijk in een hulpeloze toestand te brengen of laten. Dat is artikel 255. Het artikel luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengt of laat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Vereisten voor strafbaarheid
Dit artikel bevat een aantal bestanddelen – jargon voor vereisten. Om te kunnen spreken van handelen in strijd met dit verbod moet er sprake zijn van opzet, een verplichting uit de wet of een overeenkomst tot verpleging of verzorging van die persoon, een hulpeloze toestand van die persoon, en het in die hulpeloze toestand brengen of laten van die persoon.
Bij een late abortus is van al deze bestanddelen sprake. Het pasgeboren kindje wordt willens en wetens aan zijn of haar lot overgelaten om te sterven. Daarnaast heeft de betrokken arts (of de betrokken artsen) een wettelijk verankerde zorgplicht (denk aan artikel 47 van de Wet BIG of de plicht onder de Wkkgz om ‘goede zorg’ te bieden) richting het kind, dat vanaf het moment van geboorte een zelfstandig rechtssubject is en een zelfstandige patiënt. Het pasgeboren kind is in een hulpeloze toestand omdat het zichzelf op geen enkele manier in leven kan houden, en het wordt in die toestand gelaten totdat het sterft, omdat de arts bewust niet ingrijpt (omissie).
Medisch zinloos handelen?
Een tegenargument kan zijn dat een arts volgens vaste KNMG-doctrine niet verplicht is een medisch zinloze behandeling te starten. Relevant is echter dat de arts in dit geval de hopeloze situatie zelf veroorzaakt door de bevalling op te wekken, wetende dat dit een levend, hulpeloos en potentieel behandelbaar kind op kan leveren. Dat is een ander scenario dan waar de klassieke KNMG-doctrine op is toegesneden.
Wie aansprakelijk?
Het laat de vraag open wie dan dit verbod overtreedt. Is het slechts de uitvoerend arts, die bevoegd was om de abortus uit te voeren en die het kind niet behandelde? Is het ook iedere andere zorgverlener die op dat moment aanwezig is en het kind ziet? En is ook de moeder van het kind strafbaar, aangezien ook zij een wettelijke plicht heeft om te zorgen voor haar eigen kind (artikel 1:247 BW)? Het lijkt me voor de hand liggend dat zowel de arts als andere betrokken zorgverleners kunnen vallen onder de reikwijdte van dit artikel. Al is het dan de uitvoerend arts die het kind in hulpeloze toestand brengt én laat, en zijn het de betrokken zorgverleners die het kind slechts in hulpeloze toestand laten.
2. Late abortus in strijd met artikel 82a Strafrecht
Een ander verbod dat met late abortussen wordt overtreden is artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt als volgt:
“Onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven.”
Het is overigens dit artikel waarop de termijn voor abortus van 24 weken is gebaseerd. De 24-wekengrens is nergens wettelijk vastgelegd, maar is rond de jaren 70 ontstaan als de grens voor levensvatbaarheid. Het was, kort gezegd, de stand van de medische wetenschap destijds dat foetussen van minder dan 24 weken als niet-levensvatbaar werden beschouwd buiten de baarmoeder. In de Memorie van Toelichting bij het Wetboek van Strafrecht in 1978 is weliswaar aangegeven dat de abortusgrens in de loop van de tijd zou kunnen verschuiven (door bijvoorbeeld verbeterde medische wetenschap), maar de abortusgrens is sinds het vastleggen ervan nooit gewijzigd.
22-weken-oude baby’s hebben aanzienlijke overlevingskans
Feit is echter dat de medische wetenschap is verbeterd. Uit onderzoek in andere ontwikkelde landen als Zweden, Japan, Zuid-Korea en de Verenigde Staten blijkt dat 22-weken-oude foetussen die intensieve zorg krijgen een aanzienlijke overlevingskans hebben – afhankelijk van de zorg is die kans tussen de 20 en 50 procent. Opvallend is ook dat we ons er in Nederland al van bewust waren, omdat we, ondanks de 24-wekengrens, in de praktijk abortussen verrichten tot de 22e week. Toch wordt nu tegen alle wetenschappelijke ontwikkelingen in besloten om abortussen uit te voeren tot aan de 24-wekengrens, ondanks het feit dat de medische wetenschap dusdanig ontwikkeld is dat baby’s van 22 weken een aanzienlijke kans hebben om buiten het moederlichaam in leven te blijven.
Abortus bij 22 weken ongeoorloofd
Als we dus zien dat baby’s een aanzienlijke overlevingskans hebben buiten de baarmoeder vanaf 22 weken, is een abortus vanaf 22 weken dan niet in strijd met artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht? Ik meen van wel. Er wordt namelijk door de inleiding van de bevalling een kind gedood die naar de huidige stand van de wetenschap in staat is om buiten het moederlichaam te overleven. Het is daarom wettelijk niet langer geoorloofd een abortus vanaf 22 weken uit te voeren.
Zal de rechter dit zien?
Los van de morele discussie over abortus is het naar mijn optiek zo dat de late abortussen waar Nederlandse ziekenhuizen nu mee beginnen in strijd zijn met de wet. Het is strafbaar om een pasgeboren kind opzettelijk in een hulpeloze toestand te brengen en te laten, en het is strafbaar om vanaf 22 weken nog een abortus uit te voeren omdat, naar de huidige stand van de medische wetenschap, baby’s een aanzienlijke kans hebben om buiten de baarmoeder te leven. De vraag is of een rechter dit zo zal zien.



